Altaar
Neogotisch vleugelaltaar, W.Mengelberg, Utrecht, 1903  
Het bruine, eikenhouten hoogaltaar met grijsgeverfde tombe is toegewijd aan de vijf blijde en vijf droeve geheimen van Maria, bekend van de rozenkrans. Naast deze voorstellingen is tevens het Lam Gods afgebeeld bovenaan het centrale gedeelte. In de oorspronkelijke kloosterkapel waren ook nog de glorievolle geheimen afgebeeld in het glas-in-loodraam boven het altaar.
Wanneer de zijpanelen (vleugels) van dit altaar zouden worden gesloten, kan men aan de achterzijde ook de westerse kerkvaders bewonderen. Hoewel het altaar niet in zeer goede staat verkeert, springt toch de rijkdom van dit schitterende altaar in het oog. 
Het altaar werd gebouwd voor de kapel van de Monialen Dominicanessen van Mariadal te Venlo. Nadat het verkocht werd aan het bisdom van ’s-Hertogenbosch, werd het voor enige jaren in bruikleen gegeven aan het Museum voor Religieuze Kunst in Uden. Onlangs is door ruimtegebrek besloten om het altaar weer terug te geven aan het Bisdom. Dat heeft een nieuwe bestemming gezocht en gevonden in Vessem.

De Droevige Geheimen zijn treurige gebeurtenissen uit het leven van Jezus en Maria
Jezus bidt in doodsangst tot zijn hemelse Vader.
Jezus wordt gegeseld.
Jezus wordt met doornen gekroond.
Jezus draagt zijn kruis naar de berg van Calvarië.
Jezus sterft aan het kruis.

De Blijde Geheimen zijn vreugdevolle gebeurtenissen uit het leven van Jezus en Maria. Het zijn er vijf:
De engel Gabriël brengt de blijde boodschap aan Maria.
Maria bezoekt haar nicht Elisabeth.
Jezus wordt geboren in een stal te Betlehem.
Jezus wordt in de tempel aan God opgedragen
Jezus wordt in de tempel teruggevonden.

" Altare Privilegiatum Quotidianum Perpetuum" (Altaar gewijd voor blijvend dagelijks gebruik). Een geprivilegieerd altaar is een altaar waar telkens als er een mis gecelebreed wordt een volle aflaat verleend wordt.

 Friedrich Wilhelm Mengelberg was een Duitse beeldhouwer, tijdgenoot en vriend van Hendrik van der Geld. De kruisweg in de Lambertuskerk is gemaakt door Hendrik van der Geld.